De afgelopen weken maak ik kennis met nieuwe bestuurders van corporaties. Altijd spannend wie het estafettestokje gaat overnemen van de ‘oude’ generatie.

Veel nieuwe corporatiebestuurders van buiten en uit de publieke sector – potverteren door nieuwe financieringsvormen – koudwatervrees voor deelnemingen en dochters

Privaat èn publiek
De afgelopen weken maak ik kennis met nieuwe bestuurders van corporaties. Altijd spannend wie het estafettestokje gaat overnemen van de ‘oude’ generatie. Het valt me op dat het bijna allemaal nieuwe bestuurders zijn van buiten de volkshuisvesting: de politiecommissaris uit Flevoland, een topambtenaar uit Eindhoven, een directeur van de Volkskrant en een wethouder uit Maastricht. Een jaar of tien geleden trad er ook een lichting bestuurders aan van buiten de sector. Daar werd op teruggekomen. In de volgende periode werden weer ervaren volkshuisvesters benoemd. We zijn nu terug van weggeweest. Het besturen van een corporatie is een aparte tak van sport. Corporaties moeten financieel zelf de broek ophouden en lijken in dit opzicht op bedrijven. Geen gewone bedrijven, omdat we binnen publieke kaders opereren. Ik bestuurde beide: een private onderneming en organisaties met overheidsbijdragen. Privaat èn publiek besturen, zoals bij corporaties en bijvoorbeeld ziekenhuizen, vind ik lastiger, maar wel veel uitdagender dan aan het hoofd staan van onversneden private of publieke organisaties. Mijn advies aan de nieuwe bestuurders van buiten luidt: laat je onderdompelen in de volkshuisvesting en maak je zo snel mogelijk het tussen publiek en privaat opereren eigen. Het valt me ook op dat een flink deel van de nieuwe bestuurders afkomstig is uit de publieke sector. Welke invloed gaat hiervan uit? Ik hoop niet dat hierdoor de dominante cultuur in de volkshuisvesting een publiek karakter krijgt. Corporaties horen thuis in het spannende veld tussen privaat en publiek. Een cultuur waarbij corporaties bedrijfje spelen moet buiten de deur worden gehouden. Dit geldt ook voor doen alsof je onderdeel van de overheid bent. Kortom we moeten naar rechts noch naar links buigen.

Potverteren
Deze week spreek ik ondermeer met vertegenwoordigers van een bank over de financiering van corporaties. Het is de kring van financiële instellingen niet ontgaan dat corporaties zoeken naar aanvullende financieringsmogelijkheden. Het valt me op dat alle zogenoemde nieuwe vormen van financiering weliswaar de liquiditeit van corporaties versterken, maar tegelijkertijd een vorm van potverteren zijn. Het vermogen wordt te gelde gemaakt. Bijvoorbeeld door de grond onder woningen aan een beleggingsinstelling te verkopen en vervolgens deze gronden in erfpacht terug te krijgen. Hiervoor wordt vanzelfsprekend een vergoeding betaald en deze is aanmerkelijk hoger dan het rendement op de woning. Andere voorstellen zijn simpeler: verkoop complexen woningen aan een belegger. De opbrengst is dan veel lager dan wanneer woningen voor eigen bewoning worden verkocht. Als uit de opbrengst van een verkochte woning weer een nieuwe kan worden gebouwd, is er niets aan de hand. Integendeel: een corporatie vernieuwt hierdoor zijn voorraad woningen. Dit is echter bij lange na niet het geval. En beleggers dan, die verkopen toch ook complexen woningen aan organisaties die vervolgens deze woningen gaan uitponden? Dan moet het toch wel aantrekkelijk zijn? Ook institutionele beleggers zijn de afgelopen jaren aan het potverteren geweest. Hun bezit is meer dan gehalveerd. Als een corporatie niets anders kan, zit er niets anders op dan potverteren. Als het water tot aan de lippen staat, moet je wel complexen woningen verkopen of eigen grond omzetten in erfpacht. Als dit niet het geval is: niet doen.

Gevreesde deelnemingen
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en de toezichthouder het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) hebben weinig op met deelnemingen of dochters van corporaties. Ze hebben het gevoel hier geen grip op te hebben. Het CFV kwam onlangs met het bericht dat deelnemingen van corporaties soms zelfs verlies lijden. In de ogen van de toezichthouder hebben corporaties deelnemingen om louter commerciële activiteiten in onder te brengen. Het ministerie zit op dezelfde lijn. In het scheiden van activiteiten die in aanmerking komen voor staatssteun en niet-staatssteun, vindt het ministerie dat in deelnemingen per definitie geen diensten van algemeen en economisch belang (DAEB) ondergebracht moeten worden. De oplossing is simpel: als er wel diensten van algemeen en economisch belang in een deelneming zitten, dus in aanmerking komen voor staatssteun, hevel die dan over naar de toegelaten instelling. De Alliantie heeft tientallen deelnemingen. Deze hebben we niet opgericht om commerciële activiteiten uit te voeren, maar om de risico’s voor de Alliantie te beperken. Alle bedrijven van enige omvang doen dit. Met de verplichting deze over te hevelen naar de moeder verplichten het Rijk en de toezichthouder corporaties om veel meer risico’s te nemen. Dit lijkt me toch niet de bedoeling? Samen met de gemeente Amersfoort hebben we de N.V. Wonen boven Winkels opgericht. Ieder bezit de helft van de aandelen. In de afgelopen jaren hebben we hier 120 wooneenheden boven winkels gerealiseerd. Overhevelen naar de toegelaten instelling is onmogelijk. Is dit een commerciële activiteit? Zeker niet, verreweg de meeste huren zijn lager dan € 652 per maand. ‘Staatssteunhuren’ dus. Dan het vraagstuk van het toezicht. Terecht wil het departement erop toezien dat corporaties in deelnemingen geen gekke dingen doen. Het bestuur van de corporatie is de aandeelhouder van de deelneming. Toezicht op de aandeelhouder, biedt volop mogelijkheden om toezicht op de deelneming te houden. De vrees voor deelnemingen is een typisch geval van koudwatervrees.

Jim Schuyt
(7-11 februari 2011)