Als we niet uitkijken, moeten straks subsidies opnieuw worden uitgevonden. Nu valt minister Donner goed te ‘lezen’: “Dit gaat niet gebeuren.”

Geen subsidie van minister Donner – nieuwe Woningwet; besluitvaardigheid corporaties in het geding? – tsunami van cataloguswoningen als klant het voor het zeggen heeft

Kennismaken
Eerder gaf minister Donner aan een kennismakingsgesprek met De Vernieuwde Stad te willen combineren met een werkbezoek. Maandag is het zover: de minister brengt een bezoek aan Amersfoort en ik, als voorzitter van De Vernieuwde Stad, zit in het programma. Dit wringt, omdat Amersfoort veel aan de minister te vertellen en te laten zien heeft en ik snoep tijd af. Minister Donner is de dertiende bewindspersoon verantwoordelijk voor het wonen, die ik in mijn werkzame leven meemaak. Ik vind deze minister van allemaal het lastigst te ‘lezen’. Hij veert niet op, hij fronst zijn wenkbrauwen niet ten teken dat hem iets niet bevalt of verwondert en hij kijkt niet blij als hij iets hoort dat hem wel bevalt. Hij luistert aandachtig en stelt vragen. In het Amersfoortse deel van het programma licht onze directeur in Amersfoort Koos Koolstra het experiment Huur op Maat toe. In dit experiment betalen huurders in beginsel de markthuur en krijgen huishoudens met een krappe beurs een afslag op de huur. Dit jaar wordt het experiment geëvalueerd en het is belangrijk om hier aandacht voor te vragen. Ik heb de indruk dat de minister net even iets scherper luistert als Koos aangeeft dat met Huur op Maat scheefheid wordt bestreden. Ik benadruk dat we in Nederland de unieke situatie kennen dat corporaties geen subsidies krijgen om sociale huurwoningen te bouwen en te verbeteren. Veel landen, zoals Engeland en Duitsland, kennen wel dergelijke subsidies. Nederlandse corporaties zijn revolving funds: iedere euro die wordt uitgegeven, moet worden terugverdiend. Ik benadruk dat we hier zuinig op moeten zijn en dat heffingen het revolving fund ondermijnen. Als we niet uitkijken, moeten straks subsidies opnieuw worden uitgevonden. Nu valt minister Donner goed te ‘lezen’: “Dit gaat niet gebeuren.”

Donner en Van der Laan
Volgende maand stuurt minister Donner het ontwerp van de nieuwe Woningwet naar de Tweede Kamer. Ik ben benieuwd of deze minister het ontwerp van voormalig minister Eberhard van der Laan min of meer intact laat of geheel in de revisie heeft gedaan. Ik verwacht dat minister Donner het ontwerp van zijn voorganger niet klakkeloos overneemt. Hij is immers van het maatschappelijk middenveld. Het ontwerp van Van der Laan was in de kern prima: corporaties zijn private organisaties waarop de woonautoriteit publiek toezicht houdt. Van der Laan schoot door, bijvoorbeeld door te bepalen dat investeringen door corporaties boven de 50 miljoen euro eerst ter goedkeuring aan de woonautoriteit dienen te worden voorgelegd. Een ander voorbeeld: corporaties met meer dan 10.000 woningen dienen meerdere bestuurders te hebben. Dit verkleint de kans op uitglijders bij corporaties. Ik waag te betwijfelen of er een verband is tussen de omvang van een Raad van Bestuur en de integriteit van een corporatie. Had Hubert Möllenkamp bij Rochdale geen collega bestuurder? Zou minister Donner dit soort bepalingen overnemen? Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Samen met Rudy de Jong, sinds kort adviseur van De Vernieuwde Stad, schrijf ik aan Donner een brief over de herziening van de Woningwet. Wij signaleren dat er over de gehele governance-kolom sprake is van ‘omhoog schuiven’. De Raad van Commissarissen treedt in de competenties van het bestuur van corporaties, de woonautoriteit in die van de Raad van Commissarissen enzovoorts. Wij houden minister Donner onze vrees voor, dat de besluitvaardigheid van corporaties in het geding is.

Inclusief
In opdracht van het directoraat-generaal Wonen, Wijken en Integratie is er een conferentie over duurzaam en inclusief bouwen. Ik mag de conferentie voorzitten. Met de toevoeging ‘inclusief’ wordt benadrukt dat duurzaamheid niet alleen gedijt bij het treffen van energetische maatregelen en materialen die het milieu niet schaden. Het gaat om de samenhang tussen fysiek en sociaal. Een woning gaat gemiddeld 120 jaar mee. Een stedenbouwkundige of een architect met een in beton gegoten ontwerp, dient de duurzaamheid niet. De aanwezigen zijn het er over eens dat een woning aangepast moet kunnen worden aan veranderende woonvoorkeuren: flexibiliteit is het devies. Enige nederigheid past een architect. Luisteren naar de woonconsument bevordert duurzaam bouwen. Wouter de Jong, gedeputeerde in Utrecht, doet de ‘wethoudersarchitectuur’ in de ban. Ik houd het gehoor voor dat alleen luisteren naar de woonconsument een tsunami van cataloguswoningen kan opleveren en ik stel de retorische vraag of dit de bedoeling is. De conclusie is dat luisteren naar de klant prima is. Maar om een buurt of wijk een eigen identiteit te geven is soms een groot gebaar nodig. De professionals van de stedelijke vernieuwing en de gebiedsontwikkeling hebben vooral oog voor de fysieke kant. Hoe er tegen een wijk aangekeken wordt, de beeldvorming en emotie dus, blijven te vaak onderbelicht. Die wijken en buurten zijn duurzaam, waar mensen van houden en graag in willen investeren.

Jim Schuyt
28 februari – 4 maart 2011)